Platform Vlieghinder Regio Castricum
 

Verslag van het verhandelde in de vergadering van 13 september

 |
 Geplaatst door: webbeheer 
 |
 Bekeken: 724 
|
 Provinciale Staten van Noord-Holland 
Verslag van het verhandelde in de vergadering van 13 september

=== noot PVRC == het beterft hier alleen het verhandelde mbt Schiphol

13 september 1993

Voorzitter: prof. dr. J.A. van Kemenade

Griffier: drs. C.J.N. Versteden

I. Opening der vergadering

Bij de opening der vergadering zijn tegenwoordig 56 leden, te weten:

mw. M. Wiebosch-Steeman, P.J.M. Poelmann, J.P. van der Hiele, mw. dr. J.M. Drees, mw. M.A.C. Karssen, N.W. Dorrestijn, ir. H. Pluckel, mw. mr. Y.I. van Wagensveld-Drukker, J.L. Broeren, A.J.L. Bongers, drs. J.H.J. Verburg, W. Elsthout, mw. G.J. Strikwerda-van Klinken, mw. T.A. Molenaar-Langeveld, ing. M. Verweij, mw. M.K. Pfeiffer, C.F. Stoop, E.J. Theunisz, J.R.A. van den Broek, B.J.A. Hakvoort, drs. W. Mensink, mw. A.A.E. Goijert, mw. A.C. van den Berg-Voets, A. van Noord, mw. mr. F.G. van Diepen-Oost, P. van der Gaast, E. Neef, mw. drs. W.C.G. Voûte-Droste, mw. J.A.W. van Diepen-Hoogewerf, mw. M.A.J. van Maastricht-Thijssen, mw. drs. J.A. Schoondergang-Horikx, mw. M.H.A. Smeele-de Kok, drs. J. de Lange, M.B. Wigman, J. Wentink, R.H. Hofwijks, mw. D. Abbas, E.A. Ros, drs. H.A.C. Komproe, M. Ernsting, A.F.M. van Herpen, mw. drs. B.M. van Beijma-van Dam, J.P.J. Lagrand, drs. J. Achterstraat, mr. W.C.T.F. de Zeeuw, P. Zwart, mw. drs. M.J. Sanders-ten Holte, mw. M. Hommes, F. Tielrooij, drs. H.S. de Boer, mw. mr. N.A. Griffioen-Smit, dr. H. van Ruller, M.C. Heineken, ing. D. Reitsma, G.J.M.A. Le Belle en mw. J. van Raam.

Later is de presentielijst nog getekend door de leden:

H.W. Berkhout, mw. N.D.K. Eelman-van ‘t Veer, W.F.H. van der Paard, drs. F. Frankfurther, N.J.M. Smulders, K. Vroegindeweij, mw. A.J. Verhoog-Bokma, mw. J.E.M. Berman, P.A. Zoon, mw. mr. N. Klijn, H. Maaten en drs. J. van Ark.

Van de leden G. de Boer, dr. M. Hisschemöller, mw. ir. M. Koopman-Krijt, mr. T. Stelpstra en drs. W.C. Zwanenburg is bericht ontvangen, dat zij niet aanwezig kunnen zijn.

Voorts zijn afwezig gebleven de leden drs. J. van den Assem, G. Roos, dr. K.A. Springer, S.P. Steltenpool, C.J. Waij en mw. P.M. op de Weegh.

De voorzitter opent de vergadering.

II. Vaststelling notulen van de vergadering van 10 mei 1993 en 14 juni 1993

Aan de orde wordt gesteld de vaststelling van de notulen van de vergadering van 10 mei 1993 en 14 juni 1993.

De notulen worden ongewijzigd vastgesteld.

III. Vragenhalfuur

Aan de orde wordt gesteld het vragenhalfuur (mondelinge vragen van de heer P. van der Gaast (PvdA) (zie blz. ......).

De voorzitter : Dames en heren! Bij brief van 23 juli 1993 heb ik u meegedeeld dat gedeputeerde staten heden de vragen zullen beantwoorden die door de heer Van der Gaast gesteld zijn inzake het regeringsstandpunt over met name de geluidsnormering bij Schiphol. De vragen zijn u bekend; ze zijn uitgedeeld. U kent ook artikel 47 van het Reglement van Orde over de mondelinge beantwoording van vragen. Ik geef nu allereerst voor de beantwoording van de gestelde vragen het woord aan gedeputeerde De Zeeuw.

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Voorzitter! Ik zal de vragen 1 en 2, die betrekking hebben op de geluidszonering, gecombineerd beantwoorden.

Om richting te geven aan de voorbereiding van deel 1 van de Planologische Kernbeslissing Schiphol (PKS) heeft het kabinet een voorlopige voorkeur uitgesproken voor de aanleg van een vijfde baan parallel aan de Zwanenburgbaan. De uitwerking van de PASO-doelstellingen die het kabinet daarbij voor ogen staat, kan als volgt worden weergegeven:

Onder de versterking van de mainportfunctie van Schiphol wordt verstaan een groei tot circa 40 miljoen passagiersbewegingen door de lucht per jaar. (De PASO-formulering luidde: groei richting 50 miljoen passagiers per jaar in 2015, waarbij er van uitgegaan werd dat 5 miljoen á 10 miljoen passagiersbewegingen per rail worden afgewikkeld.

Voor het vijfbanenstelsel - dat naar verwachting in 2003 in gebruik kan worden genomen - wordt een 35-Ke-geluidszone ex artikel 25 e.v. van de Luchtvaartwet vastgesteld met maximaal 10.000 in 1990 bestaande woningen. (Dit is in overeenstemming met het PASO.)

Aangezien de zoëven genoemde zone volgens de huidige berekeningen slechts een groei van het aantal passagiersbewegingen tot circa 35 miljoen per jaar mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de mogelijkheid tot omzetting van de zone met 10.000 woningen in een eveneens op grond van artikel 25 e.v. van de Luchtvaartwet vast te stellen zone met ten hoogste 12.600 geluidgehinderde woningen. Dit “rekening houden met” houdt in dat:

-  in de PKB-Schiphol een procedure, inclusief de bij de daadwerkelijke afweging te hanteren criteria, wordt opgenomen, die voor de eventuele omzetting gevolgd zal worden;

-  de eventuele omzetting wordt beschouwd als een zwaarwegende beslissing, waarover de Tweede Kamer een oordeel zal moeten geven;

-  voor wat betreft de milieucriteria de afweging gericht is op het aspect geluidshinder onder de uitdrukkelijke veronderstelling dat aan de overige milieudoelstellingen conform de richtlijnen voor het integrale milieurapport (IMER) kan worden voldaan; deze doelstellingen worden vastgelegd in de PKS en gelden als randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Schiphol;

-  voorafgaande aan een besluit over omzetting van de geluidszone moet de NV Luchthaven Schiphol (NVLS) aantonen, dat er sprake is van een zgn. majeure blokkade van de mainportontwikkeling indien de 10.000-zone zonder meer gehandhaafd blijft;

-  met betrekking tot het woningbouwbeleid “een reserveringszone” wordt vastgesteld met 12.600 in 1990 bestaande geluidgehinderde woningen; binnen deze reserveringszone zal op dezelfde wijze als binnen de 10.000-zone geen woningbouw worden toegelaten; om deze reserveringszone van een wettelijke basis te voorzien zal de Luchtvaartwet worden gewijzigd;

-  het moment waarop de procedure voor een eventuele omzetting in werking treedt afhankelijk wordt gesteld van de feitelijke ontwikkeling van het aantal met 35 Ke belaste woningen en een prognose van de toekomstige ontwikkeling daarvan; het kabinet stelt voor hiervoor het moment te hanteren waarop - na de ingebruikneming van het vijfbanenstelsel - 8000 woningen binnen de actuele 35-Ke-contour komen te liggen, als de prognose aangeeft dat de 10.000-grens overschreden zal worden; volgens de huidige berekeningen (maar het is afhankelijk van de feitelijke ontwikkelingen) zou dat rond het jaar 2008 het geval kunnen zijn.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het college ten opzichte van het PASO enige matiging van zowel de mainportdoelstelling als de milieudoelstelling.

Wij hebben hier op de tafels van provinciale staten een overzicht doen neerleggen van a) het standpunt van gedeputeerde staten van 25 mei 1993 ter zake van de zonering en enkele andere zaken en b) de uitspraak van het kabinet van 17 juli 1993.

Wij kunnen bevestigen dat het kabinet de eventuele omzetting van een geluidszone met 10.000 woningen in een zone met 12.600 woningen heeft aangekondigd als een zwaarwegende beslissing waarover de Tweede Kamer een oordeel zal moeten geven. Wij gaan er van uit dat deze aankondiging onverkort in de PKB zal worden vastgelegd en dus beduidend meer behelst dan de gebruikelijke beoordeling van het kabinetsbeleid door de Tweede Kamer achteraf. Een uiteindelijk oordeel over de bedoelde procedures is pas mogelijk op basis van deel 1 van de PKB, welk document nu nog niet beschikbaar is. Voor de instelling van een zgn. reserveringszone met 12.600 geluidbelaste woningen zal, zoals gezegd, de Luchtvaartwet moeten worden gewijzigd.

Vraag 3 heeft betrekking op de nachtnormering. Hoewel ook de uitspraak van het kabinet inzake de nachtnormering aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd, heeft deze uitspraak een veel minder voorlopige status dan vorengenoemde uitspraken inzake de opstelling van deel 1 van de PKB. De vaststelling van de nachtnormering gebeurt bij Algemene Maatregel van Bestuur. Hiervoor is geen besluit van de Tweede Kamer vereist. Dat het kabinet zijn voornemen voorlegt aan de Tweede Kamer, komt voort uit het politieke gewicht dat eraan wordt toegekend.

Over de inhoud van het kabinetsbesluit zijn wij niet geraadpleegd en evenmin geïnformeerd. Ons is slechts bekend - uit de berichtgeving in de media - dat gekozen is voor een landelijke nachtnormering op basis van de dosismaat Laeq met als grenswaarde 27 dB(A) binnen de woning. De voorziene Griefahn-nachtnorm voor het vliegveld Beek komt te vervallen. Wij hebben de staten een brief gezonden over wat wij van de Laeq-norm weten; inmiddels is er al iets meer over bekend geworden.

Aangezien de consequenties van de landelijke nachtnormering voor Schiphol en omgeving veel ingrijpender zijn dan voor alle andere luchthavens in Nederland, zijn wij van mening dat het in de rede had gelegen ons college over een voorgenomen kabinetsbesluit ter zake voorafgaand te raadplegen. Wij hebben dit onlangs per brief laten weten aan de eerstverantwoordelijke minister, de Minister van VROM.

Ook over de gevolgen van een eventuele nachtsluiting van de luchthaven Rotterdam hebben wij op dit moment niet veel nadere informatie. Wel hebben wij de directie van de NV Luchthaven Schiphol gevraagd haar standpunt ten aanzien van een eventuele nachtsluiting van Rotterdam Airport kenbaar te maken. De NV Luchthaven Schiphol is de enige aandeelhouder van de B.V. Rotterdam Airport. Ons college stelt zich op het standpunt dat een nachtsluiting van de luchthaven Rotterdam niet mag betekenen, dat de Rotterdamse nachtvluchten worden overgebracht naar Schiphol In het Plan van Aanpak Schiphol en Omgeving is juist afgesproken, dat alle vluchten die voor de mainportontwikkeling van Schiphol niet noodzakelijk zijn, zo mogelijk vanaf andere luchthavens in Nederland dienen te worden uitgevoerd.

De vierde vraag heeft betrekking op de aanleg/investering vijfde baan. Berichten over uitstel van de besluitvorming inzake de eventuele aanleg van de vijfde baan hebben ons niet bereikt. Integendeel. Ambtelijk wordt het nodige in het werk gesteld om deel 1 van de PKB en de daarbij behorende rapporten (met name het integrale milieurapport en het economische rapport), alsmede het ontwerp-streekplan zo tijdig mogelijk uit te brengen en ter visie te leggen. Een recent tijdschema op dit punt (ik heb eerder al eens aangegeven dat wij hier toch moeten spreken van dagkoersen wat die termijnen betreft) hebben wij toegevoegd aan de stukken voor de Commissie van Onderzoek Streekplan Haarlemmermeer, en daar blijkt dat er van enige vertraging sprake is, ook en met name omdat het integrale milieurapport op dit moment nog niet beschikbaar is.

De NVLS heeft in het PASO uitdrukkelijk uitgesproken in principe bereid te zijn om de aanlegkosten van een vijfde baan voor haar rekening te nemen. De directie van de luchthaven heeft positief gereageerd op de kabinetsuitspraken van 17 juli jl. Daaruit kan worden afgeleid, dat zij dat standpunt ook volhoudt. De aanleg van een vijfde baan is inderdaad noodzakelijk om de geluidshinder door vliegtuiglawaai tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. De NVLS en de KLM hebben overigens in het PMMS-overleg laten weten, dat een vijfde parallelle baan op Schiphol ook noodzakelijk is om de voor de mainport gewenste punctualiteit van de bedrijfsvoering te kunnen garanderen.

De vijfde vraag heeft betrekking op de verlenging van de Kaagbaan en het zuidelijke gebruik van de Zwanenburgbaan. De NVLS heeft herhaaldelijk laten weten, zoals ook vermeld is in het PASO, dat wanneer de besluitvorming over het geheel van de PASO-voornemens vertraagd wordt, een afzonderlijk besluit op kortere termijn over de verlenging van de Kaagbaan en het zuidelijke gebruik van de Zwanenburgbaan vereist is. Vooralsnog is niet tot een afzonderlijke procedure voor deze maatregelen besloten. De NVLS heeft overigens in het PMMS-overleg wel aangekondigd, dat mocht vertraging in de besluitvorming verder aan de orde zijn rond Schiphol, zij dan zelf die procedure op gang zou willen brengen. In de bestaande procedure wordt, zoals is afgesproken in het PASO, er rekening mee gehouden dat indien noodzakelijk een afzonderlijke procedure voor de genoemde maatregelen op gang gebracht kan worden. De tijdwinst die een afzonderlijke procedure kan opleveren, is overigens niet groot. Het college van gedeputeerde staten is en blijft voorstander van koppeling van beide genoemde maatregelen aan het totaalpakket van de besluitvorming rond Schiphol.

De zesde vraag heeft betrekking op externe veiligheid. Het onderzoeksrapport over externe veiligheid is nog niet gereed. Aan de Tweede Kamer is het door de RAND Corporation opgestelde rapport over de veiligheid van Schiphol aangeboden. Dit rapport betreft de interne veiligheid van Schiphol (dat wil zeggen: de veiligheid van de procedures op de luchthaven zelf). Wij wijzen er op dat de normstelling ten aanzien van de externe veiligheid van luchthavens de verantwoordelijkheid van het rijk is. Dit geldt in feite ook voor de inschatting van de externe risico’s. Aangezien dit onderwerp deel uitmaakt van het IMER, zullen wij echter vanuit onze verantwoordelijkheid als (coö rdinerend) bevoegd gezag beoordelen of (ook) dit onderdeel, gezien de richtlijnen, ontvankelijk kan worden verklaard. De veiligheid op en rond luchthavens is sterk bepaald door internationale factoren. Zowel de normering van vliegtuigen en navigatieapparatuur als de procedures voor de geleiding van het luchtverkeer liggen vast in internationale overeenkomsten en dito regelingen. Hier ligt bijgevolg geen taak voor het provinciaal bestuur. De risico’s bestaan echter in overwegende mate in de directe omgeving van de luchthaven, dat wil zeggen: op lokale dan wel regionale schaal. Daarom zijn wij van mening dat voor de regio volstrekte duidelijkheid over het onderwerp een absolute noodzaak is. Wij volgen de diverse onderzoeken daarom nauwlettend.

De heer Bongers (VVD): Mijnheer de voorzitter! Ik zou willen vragen of u wilt bevorderen dat de tekst die de heer De Zeeuw nu heeft uitgesproken, op z’n minst aan de leden van de Commissie van Onderzoek die woensdag aanstaande over dit onderwerp vergadert, uiterlijk vandaag of morgen ter hand kan worden gesteld.

De voorzitter : Zonder twijfel.

Het woord is nu aan de heer Van der Gaast voor eventuele nadere vragen, eventueel vergezeld van een korte toelichting.

De heer Van der Gaast (PvdA): Voorzitter! Ik heb ook aanvullende vragen van D66 aangetroffen. Ik weet niet of gedeputeerde staten daarop nog zullen reageren.

De voorzitter : Gedeputeerde staten hebben gereageerd op de vragen zoals zij dat nu gedaan hebben.

De heer Van der Gaast (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik wil de gedeputeerde bedanken voor zijn uitvoerige beantwoording.

Ik constateer dat het college van gedeputeerde staten op onze hoofdvraag heeft gesteld, dat de 10.000-geluidgehinderde-woningennorm naar de mening van het college uitgangspunt zal vormen in de Luchtvaartwet voor het vijfbanenstelsel. Ik denk dat ik er van mag uitgaan dat ik een dergelijke zinsnede zoals vandaag in de beantwoording gegeven, binnenkort ook in de officiële regeringsstukken zal aantreffen, dus dat dat inderdaad voor ons belangrijke uitgangspunt ook wordt vastgelegd in de wettelijk in ons land geldende stukken.

Bij wijze van aanvullende vraag heb ik ook nog twee opmerkingen over de Laeq-norm. Het college heeft ter zake ook een kleine aanvullende notitie naar de staten gezonden. Ik ga daar liever niet op in, omdat het verwerken daarvan ook in de bovenkamer bepaald meer tijd nodig heeft. Wat alleen wel erg opvalt, is dat het rijk vrij drastisch geswitcht is naar een jaargemiddelde. Op het eerste gezicht is er toch een heel grote salto mortale of een salto morale gemaakt, in die zin dat alle geluidshinder geklutst wordt met weekeinden en nachten en tot een jaargemiddelde, zodat je de indruk hebt dat de nieuwe norm bepaald veel lichter en soepeler is en veel meer geluidshinder kan accommoderen dan wat wij tot nu toe gewend waren. Ik wil van het college, dat toch heel nadrukkelijk en terecht heeft gevraagd om nader overleg met het rijk, graag weten wat ter zake zijn positie zou zijn.

Wat de herbevestiging van de koppeling betreft ben ik erg blij met het antwoord van de gedeputeerde dat gedeputeerde staten vasthouden aan de koppeling. Ik neem ook aan dat als de koppeling verbroken zou worden, dat voor gedeputeerde staten ook consequenties heeft.

Tenslotte zou ik, aangezien het RAND-rapport over de externe veiligheid openbaar is in de Tweede Kamer, willen vragen of dat rapport ook aan de leden van de Commissie van Onderzoek Streekplan Haarlemmermeer ter kennis gesteld zal worden. Ik neem aan dat als een rapport in het bezit is van 150 kamerleden, het daarmee ook openbaar is geworden.

De heer Poelmann (D66): Voorzitter! Wat is het moment om onzerzijds nadere vragen te stellen?

De voorzitter : Nadat - u kent artikel 47 van het Reglement van orde ongetwijfeld beter dan ik - de eerste vragensteller in de gelegenheid is geweest om enkele nadere vragen te stellen. De heer Van der Gaast heeft drie nadere vragen gesteld. Het woord is nu aan gedeputeerde De Zeeuw.

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Voorzitter! Eerst iets over de verwachting, de hoop, ons aandringen dat het besluit van het kabinet ook terechtkomt in de officiële papieren van het kabinet, in het bijzonder in de PKB, deel 1. Wij streven daarnaar. De opzet op dit moment is om het kabinetsbesluit zoals wij dat ook aan de staten hebben doen toekomen als bijlage, gevolgd wordt in de PKB. Ons streven daarbij is om dingen ten aanzien waarvan je kunt vragen wat er precies wordt bedoeld, zo expliciet mogelijk in de PKB te krijgen.

Wat de nachtnorm, de Laeq-norm betreft, zou ik willen verwijzen naar de informatie die wij daarover verstrekt hebben. Wij hebben gevraagd om nader overleg met of namens het kabinet over die zaak. In dat overleg, dat nog niet heeft plaatsgevonden, zal - ik zou bijna zeggen: uiteraard - ook de kwestie die de heer Van der Gaast aan de orde stelt, ter sprake komen.

Nu iets over de koppeling van het totale Schipholpakket. Het lijkt mij voorbarig om nu te praten over consequenties als iets niet zou gaan. De lijn die wij hebben gevolgd, is op zichzelf duidelijk: handhaven van de koppeling. Dit standpunt hebben wij ook in het PMMS-overleg naar voren gebracht, en wij zullen het daar naar voren blijven brengen.

Ik ken de dikte van het RAND-rapport inzake het veiligheidsonderzoek niet, maar dat rapport kan op zichzelf naar de Commissie van Onderzoek Streekplan Haarlemmermeer.

De voorzitter : Nu kan de heer Poelmann één aanvullende vraag stellen. Artikel 47 van het Reglement van orde schrijft voor: één aanvullende vraag per lid.

De heer Poelmann (D66): Dan moet ik kiezen, voorzitter.

De voorzitter : Dat is het kenmerk van de politiek.

De heer Poelmann (D66): De gedeputeerde heeft in zijn antwoord gezegd, dat het college graag vooraf door het kabinet geraadpleegd had willen worden over de Laeq-norm. Ik maak daaruit op dat als men een advies aan het kabinet wil geven, men er inmiddels, nu de gegevens over de Laeq-norm toch zo’n twee maanden bekend zijn, ook over heeft nagedacht wat voor advies men aan het kabinet zou willen geven. Mijn vraag is dus: Wanneer het college wèl om advies zou zijn gevraagd, wat zou dan zijn advies zijn geweest?

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Daarvoor zouden wij eerst ten aanzien van de uitvoering van de Laeq-norm meer moeten weten. Dat moeten wij nog steeds ten aanzien van de precieze toepassing daarvan. Want ik heb begrepen (en langzamerhand raken wij natuurlijk echt in de techniek, waarop mijn handjes natuurlijk ook omhooggaan) dat het zo is, dat je de basis van die norm hebt en dat je verder de uitwerking, de toepassing daarvan hebt. En over de precieze toepassing van die nachtnorm is er ook binnen de boezem van het rijk nog discussie. Met andere woorden: wat wij nodig hebben, is nog een stuk nadere informatie over de precieze toepassing van de norm alvorens je een conclusie zou kunnen trekken zoals de heer Van der Gaast die heeft gegeven. En dat zou dan tot onzerzijds verwerping van die norm kunnen leiden, voor zover wij daarover wat te zeggen hebben. Er is dus wellicht nog een mogelijkheid om binnen die norm te komen tot wat ons een goede nachtnormering lijkt. Samengevat luidt onze invalshoek dus: nadere informatie vragen over de precieze toepassing en dan tot een oordeel komen. Dat hadden wij ook gedaan als wij geraadpleegd waren, omdat de Laeq-norm echt een nieuw fenomeen is.

Mevrouw Schoondergang-Horikx (GroenLinks): Voorzitter! Aansluitend op dit onderwerp wil ik voordat het college dat overleg ingaat nog een uitspraak aan het college ontlokken. Is het college met mij van mening dat het middelen van de grenswaarden over de 365 nachten van een jaar waar het vlieglawaai betreft, terwijl dit aan bijvoorbeeld de spoorwegen niet wordt toegestaan, wederom een bewijs is dat de regering het vliegverkeer bevoordeelt?

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Gezien mijn voorgaande antwoord, zou ik zeker op dit moment niet tot die gevolgtrekking willen komen. En de uiteindelijke slotconclusie in de vraag maakt het mij iets makkelijker om er zo op te antwoorden.

De heer Van den Broek (GroenLinks): Voorzitter! In de beantwoording door de gedeputeerde was sprake van een zwaarwegende beslissing van de Tweede Kamer daar waar het gaat over het overschrijden van de 10.000-grens van het aantal geluidgehinderde woningen. Is het college niet met mij van mening dat niet alleen de Tweede Kamer een zwaarwegende beslissing heeft te nemen, maar dat ook de andere contractpartners met een zwaarwegende zaak bezig zijn, en dat in feite de zaak terug moet naar de convenantstafel omdat er sprake is van contractbreuk bij het overschrijden van de 10.000-grens?

De voorzitter : Drie vragen in één.

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Voorzitter! Bij de inzet van gedeputeerde staten ten aanzien van de geluidszonering hebben wij, zeker toen wij een aanvankelijk, een soort voorlopig kabinetsbesluit zagen dat eigenlijk een onmiddellijk doorschieten was naar een zone met 12.600 woningen als toelaatbaar met als hulpmiddeltje een 10.000-zone voorlopig om te handhaven, aangedrongen op drie dingen:

1.  De 10.000-zone moet een volwaardige zone zijn op basis van de Luchtvaartwet.

2.  Bij een overstap naar een ruimere zone, in het bijzonder de 12.600-zone, dient een volwaardige besluitvormingsprocedure aan de orde te zijn. De rol van de Tweede Kamer is daarbij essentieel. Dus vooraf. Niet alleen achteraf in het normale verkeer zoals dat tussen regering en parlement standaard is; nee, het moet meer zijn. Daarbij speelt dan ook een rol - voordat de Tweede Kamer haar oordeel velt - dat de regio, in de ruime zin van het woord (de plaatselijke, provinciale en andere overheden), daarover uitdrukkelijk ook een oordeel kan vellen. Wij zijn er met de opstellers van de planologische kernbeslissing nog over in gesprek hoe dat gestalte zou kunnen krijgen. Het zou kunnen zijn dat in het kader van de nieuwe procedure op grond van artikel 25 e.v. van de Luchtvaartwet de regio-inbreng al voldoende tot zijn recht kan komen.

3.  Verbreding van het criterium als je zou willen switchen naar de ruimere zone. Aanvankelijk gold: alleen switchen wanneer de mainportdoelstelling in gevaar mocht komen. Dat is nu verbreed - en dat is voor ons een uitdrukkelijk pluspunt - tot: de dubbeldoelstelling, zowel milieu als mainport, weer helemaal in beeld. In dat kader zou ik dan ook niet willen spreken van contractbreuk.

De heer Ernsting (GroenLinks): Nòg niet van contractbreuk. Waarvan akte, voorzitter.

Naar aanleiding van dit antwoord en naar aanleiding van vraag 2 die net is gesteld en beantwoord, en misschien ook een beetje als steuntje in de rug voor de verdere gesprekken, deze vraag: Wanneer het zo is, dat een mogelijk alternatief dat wèl aan de milieudoelstelling voldoet, maar wellicht niet voldoet aan de mainportdoelstelling, terzijde wordt geschoven, is het dan ten opzichte van de mensen rond Schiphol niet rechtvaardig om alle alternatieven die weliswaar aan de mainportdoelstelling beantwoorden, naar niet aan de milieudoelstelling beantwoorden, eveneens terzijde te schuiven?

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Hetgeen waarover nu praten, voorzitter, is het zgn. planalternatief, de vijfde parallelle baan, die wij als werkhypothese stelselmatig hanteren en waarvan ook het kabinet uitgaat. In die zin draagt ook het hele kabinetsbesluit waarop wij nu reageren, ten aanzien waarvan wij het nuttig vonden om er nu ook een reactie op te geven, mede gezien de voorgaande discussie met het kabinet, een voorlopig karakter. Hetgeen waarop wij wachten zijn de resultaten van het integrale milieurapport en het zgn. meest milieuvriendelijke alternatief daarbij. Het ligt in de lijn dat het meest milieuvriendelijke alternatief ook sterk zal ingaan op de geluidhinderaspecten. Ik zeg er wel onmiddellijk bij, dat het vooral voor ons van belang is om dat te kennen, om dat te doorgronden en om er heel goed naar de kijken wat de mogelijkheden daarvan zijn. Het is natuurlijk zo, net zoals bij alle andere milieurapporten, dat je niet bij voorbaat zegt: Dat meest milieuvriendelijke alternatief is het. Maar om verder ten aanzien van Schiphol, het banenstelsel e.d. nu te kunnen opereren is het noodzakelijk om de feitelijke resultaten van het integrale milieurapport te kennen. Dat doen wij nog niet, en dat is er ook de oorzaak van dat wij nu uit het concept-streekplan een heel stuk hebben geknipt dat slaat op het banenstelsel.

Mevrouw Abbas (D66): Voorzitter! Naar aanleiding van het betoog van de gedeputeerde rest ons toch nog een aanvullende vraag naar aanleiding van het oprekken van de geluidsnorm. Er wordt gesproken over een zwaarwegende beslissing waarover de Tweede Kamer een beslissing zal nemen. Betreft het hier een beslissing met de in een PKB-procedure gangbare mogelijkheid tot inspraak van de burgers? Graag zou ik hierop nog een antwoord ontvangen.

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Dit heeft te maken met de eerder gestelde vraag hoe de procedure zal zijn ook richting regionale overheden. Want daar lijkt mij dan ook het aspect van inspraak van de bevolking heel uitdrukkelijk aan de orde. Het dient wat ons betreft dus zo te zijn, dat er bij die omzetting ook de ruimte voor die inspraak zal zijn. Dat is verder iets dat in deel 1 van de PKB zo heel mogelijk dient te worden uiteengezet. Dat is ook steeds ons pleidooi.

De heer Zwart (GroenLinks): Voorzitter! Uit het antwoord op de vraag of nu eigenlijk de 10.000-norm dan wel de 12.600-norm in de Luchtvaartwet zal worden vastgelegd, begrijp ik eigenlijk dat beide normen in de Luchtvaartwet zullen worden vastgelegd, de 10.000-norm als initiële norm en de 12.600-norm in de vorm van een vrijwaringszone. Hebben wij bij het komende Streekplan Haarlemmermeer nu te maken met de 10.000-norm, of met de 12.600-norm? Het begrip ” vrijwaringszone” wijst toch erg naar de ruimtelijke ordening. Kortom: moeten wij wat straks de behandeling van het Streekplan Haarlemmermeer betreft nu al feitelijk rekening houden met als het ware de 12.600-norm?

De heer De Zeeuw (lid van gedeputeerde staten): Het voorstel is om in het streekplan de 10.000-zone op te nemen. Dat raakt aan het streekplan, zou je kunnen zeggen. Het verdere voorstel is om de 12.600-zone op te nemen als vrijwaringszone voor woningbouw. Het heeft dus inderdaad direct ruimtelijke-ordeningsconsequenties. Wat wij niet voorstellen, is om op dit moment de 12.600-zone in het streekplan op te nemen als op te vullen geluidruimtezone. In de concept-teksten hebben wij - want het is behoorlijk ingewikkeld met al die zones die elkaar deels overlappen en deels na elkaar staan in de tijd - dat aan de hand van een schema nog eens willen verduidelijken. Met andere woorden: als het zo zou moeten zijn, dat er een oprekking van de geluidszone aan de orde is, zou dat in onze ogen een streekplanherziening vergen. Dat is onze inzet vanuit het streekplan daarbij.

Vervolgens worden aan de orde gesteld de mondelinge vragen van de heer P.J.M. Poelmann (D66) (zie blz. ......).

De voorzitter : Dames en heren! Er zijn door de heer Poelmann vragen ingediend over het standpunt van de fracties van de PvdA in Zuid-Holland, Noord-Holland en Flevoland ter zake van Zestienhoven. Ik heb al even met hem beraad gehad. Ik zou hem willen voorstellen om de beantwoording van die vragen te verschuiven naar maandag 20 september a.s., zodat ook gedeputeerde De Boer daarbij betrokken kan zijn als dat overeenkomstig wat wij hopen ook overigens mogelijk zal blijken. Het zijn vragen die zijn gesteld aan het college. Ze gaan weliswaar over het standpunt van de fracties, maar…

De heer Poelmann (D66): Ik ga daarmee akkoord, voorzitter.

De voorzitter: Goed.

Vervolgens wordt de besloten de mondelinge vragen van de heer P.J.M. Poelmann aan te houden tot de vergadering van 20 september 1993.

De voorzitter verklaart hierna het vragenhalfuur voor geëindigd.


Reacties op dit bericht

Geplaatst door Gerard